Sons of Anarchy: Sutter’s bloedige bikerfantasie

DEZE BLOG GAAT HEVIGE SPOILERS BEVATTEN VOOR EEN SERIE DIE JE TOCH NIET MOET GAAN KIJKEN! LEZEN OP EIGEN RISICO!

sons-anarchy

Sons of Anarchy; bijna erger dan een SOA

Een paar maanden terug lag ik depressief op mijn bank, depressief te zijn, zoals ik dat wel eens doe. Ik zocht afleiding, en we weten allemaal dat er weinig afleidender is dan Netflix. Duizenden films en series instant op je scherm zonder enige vorm van oponthoud. Het is dé manier om je leven volledig weg te gooien, en dat is exact wat ik zocht. Ik was net klaar met een andere serie, en zocht iets nieuws. In de lijst stond ‘Sons of Anarchy'; een serie over een motorbende die, volgens de Netflix omschrijving, de strijd aangaan met neonazi’s, corrupte agenten en ander gespuis. Ofzo. Het klinkt bijna nobel, toch?

Nu, vele maanden later (en een stuk minder depressief, voor degenen die zich zorgen maakten),  heb ik zojuist de laatste aflevering van het laatste seizoen doorgezeten. Het was een uitdaging, moet ik eerlijk toegeven. Sons of Anarchy begint sterk. Hoofdpersoon Jax Teller zit met een moreel dilemma over zijn motorbende, die steeds gewelddadiger lijkt te worden. Hij vindt een manuscript van zijn overleden vader over dit geweld en probeert de club in een betere richting te sturen, wat uiteraard niet makkelijk gaat. Problemen overal, hier en daar wat geweld, maar het blijft redelijk in balans. De serie voelt goed uitgewerkt, met redelijk interessante karakters. Ik zou ook zeggen dat de eerste twee seizoenen best het kijken waard zijn. Daarna… Uh, nee.

Laat me even voorop stellen dat ik niet iemand ben die snel klaagt over geweld in entertainment. Ik maai regelmatig bergen virtuele mensen neer in verscheidene videogames, en heb tot mijn spijt zelfs een redelijk deel van de ‘Saw’ filmreeks gezien. Het geweld zelf is het probleem niet in Sons of Anarchy; het is hoe ermee om wordt gegaan. De serie wordt naarmate hij vordert in een schrikbarend tempo steeds bloediger. Waar er eerst nog enkele doden per seizoen vielen, loopt dat al snel op naar soms dozijnen per aflevering. Elk karakter in de serie begint als een volkomen losgeslagen massamoordenaar iedereen kapot te schieten, zonder daar ook maar enige moeite mee te hebben. Ze schieten onschuldige mensen neer, laten ze liggen en zorgen dat iemand anders het lijk opruimt, alsof het niks is. Het geweld verliest door de extreme kwantiteit en de nonchalante manier waarop de karakters ermee omgaan, elke vorm van impact. Je ziet het mijlenver aankomen dat die zogenaamde deal die gesloten wordt, toch wel weer gaat eindigen in een bloedbad. En dat gebeurt ook. Elke. Enkele. Keer. De serie denkt dat het je schokt met zijn plottwists. “Ooh, er zaten mannen met geweren in dat busje die nu iedereen afschieten! Dat zag je niet aankomen he?“. Jawel, Kurt Sutter. Dat zagen we wel aankomen, want je hebt het al tien keer eerder gedaan. Uiteindelijk zit je gewoon gapend te wachten tot iedereen zijn pistool trekt en elkaar gaat neermaaien.

Het ergste aan alle geweldsorgies zijn niet het geweld zelf. Dat zijn we allemaal wel aardig gewend vandaag de dag, vermoed ik. Nee, het is de smerige manier waarop de serie zijn karakters wil neerzetten. Ze worden van begin af aan opgehemeld als nobele familiemannen die alles doen voor hun club en hun familie. Natuurlijk, ze dealen in wapens en drugs en ze schieten hier en daar wat andere criminelen neer, maar ze doen het echt uit liefde hoor. En in de eerste paar seizoenen zit daar nog wel wat achter, op zich. Er wordt niemand neergeschoten die het niet verdient, en het geweld heeft dan nog impact. Het moment dat de vrouw van één van de hoofdkarakters per ongeluk wordt doodgeschoten is erg heftig, en wordt goed krachtig neergezet. De impact blijft een lange tijd zichtbaar in de karakters. Een paar seizoenen later wordt een complete club vol onschuldige prostituees genadeloos afgeslacht. We krijgen ongeveer twee shots van de schuldigen die een beetje geschokt kijken, voor ze over zaken beginnen te praten en weer verdergaan met mensen neerschieten. Je kunt het excuus gebruiken dat het een soort kritiek is op hoe je gewend raakt aan geweld ofzo, maar dat is het overduidelijk niet. Kurt Sutter, de regisseur van deze labiele zeven seizoenen lange geweldsorgie, is teveel bezig met het verheerlijken van deze bikermannetjes en hun ‘ruige’ leven. Zoetsappige montages van hoe ze hun kinderen kussen, hun moeders omhelsen of huilen om iets (nooit de honderden mensen die ze vermoord hebben, trouwens) zorgden bij mij meestal voor een ongelovig lachen, in plaats van de bedoelde tranen.

Net zo lachwekkend is de manier waarop “de club” wordt neergezet. Ik heb geen idee hoe het er in een echte motorbende aan toegaat, maar de mannen in Sons of Anarchy maken vooral de indruk van volwassen kerels die gangstertje aan het spelen zijn. Ze hebben een clubhuisje waar ze met een hamertje meetings houden, ze hebben koosnaampjes voor elkaar en allerlei andere zaken (je gaat niet dood. Nee, je ontmoet ‘Mister Mayhem’. Hoe oud ben je?), ze doen opperzielig over het uittrekken van hun leren jasje en ze mogen alleen maar op hun bespottelijk luide Harley Davidsons rijden, anders liggen ze uit de club. De overeenkomsten met een stel achtjarigen die vanuit hun zelf gebouwde boomhut een club hebben opgericht zijn enorm. En meisjes zijn bah, natuurlijk. De Sons of Anarchy is een mannelijke club voor mannelijke mannen vol gezichtshaar en tattoos. Vrouwen worden bijna alleen maar “pussy” of “old ladies” genoemd. Misschien is dit hoe het bikerleven in de VS is, maar desondanks walgde ik soms echt van hoe deze mensen werden neergezet als helden. Het zijn geen helden. Ook geen antihelden. Het zijn zielige mankinderen op motorfietsen die denken dat ze alles kunnen maken omdat ze een leren jasje aan hebben. Ik hoop echt met een passie dat niemand die deze serie kijkt ook maar een klein beetje hoopt te zijn zoals deze personages.

Zoals te veel series, gaat Sons of Anarchy vooral te lang door. Drie seizoenen was mooi geweest. Het tweede seizoen was in mijn ogen de laatste echt goede, maar liet nog genoeg ruimte over voor een geweldige afsluiter. In plaats daarvan zijn er zeven seizoenen. Zeven! En de afleveringen worden steeds langer, tot wel 80 minuten, wat gewoon speelfilmlengte is. Er gebeurt niet meer. Nee, er is gewoon meer tijd nodig voor alle scenes vol moord, verderf en het begraven van lijken (de karakters zitten serieus lacherig te roepen dat hun begraafplek in het bos vol raakt. Haha! Wat geinig. We hebben het bos volgestopt met lijken). Je hoopt ergens nog dat de boodschap uit de eerdere seizoenen terugkeert, maar dat gebeurt nooit echt. De laatste aflevering doet een poging, maar slaat daarna weer de plank volledig mis. Jax, die tegen die tijd waarschijnlijk al richting de duizend mensen vermoord moet hebben, direct of indirect, wordt tot het laatste moment neergezet als een held. Ook als hij zelfmoord pleegt door zijn motorfiets op een onschuldige vrachtwagenchauffeur in te rijden en die voor het leven te traumatiseren. Oh, wat een prachtige gekrenkte ziel. Hij ging op zijn geliefde motor het leven uit. Wat ontroerend. Toch? Nee. het is een verknipte seriemoordenaar die zijn laatste slachtoffer maakt. Ik had er geen problemen mee gehad, als Sutter het ook zo gebracht had.

Waarom ik de serie heb afgekeken? Meh, ik heb nog steeds iets nodig om mijn leven aan te vergooien, en ik had tot de laatste aflevering aan toe nog hoop dat het zichzelf nog een beetje ging fixen. Dat deed het niet. Sons of Anarchy blijft tot het laatste moment bergafwaarts gaan. Ergens is het wel komisch; de serie begint met het dilemma van Jax die al het geweld in zijn club wil stoppen. Hij laat zichzelf er door meevoeren en wordt steeds gewelddadiger. Dat was een bewuste keuze van de schrijvers. Maar later lieten ook zij zich meevoeren. De boodschap onder het geweld sijpelde langzaam weg met alle liters bloed, en het enige wat overbleef was een stapel lijken. Wat een serie had moeten worden over een nobele bikergang die het rechte pad opzoekt, werd vooral een langdurige verheerlijking van Sutter’s bloedige bikerfantasie. Wees maar blij dat ik het voor je gekeken heb, en zoek lekker een andere serie op. Netflix heeft er genoeg.

Nieuwe Top Gear is niet nieuw genoeg

Vandaag was het nieuwe Top Gear voor het eerst op TV, en ik stofte mijn TV-ontvanger er speciaal voor af. Ergens had ik een klein sprankeltje hoop dat de BBC het niet verpest had. Er was namelijk best veel potentie. Top Gear met Clarkson, Hammond en May was altijd nog vermakelijk, maar het begon wel erg oud te worden. De gescripte grappen en situaties werden steeds duidelijker, en de humor werd soms wat voorspelbaar. Een frisse wind door Top Gear was helemaal niet slecht in mijn ogen, en ik hoop ook zeker dat het nieuwe programma van het oude setje presentatoren iets nieuws gaat doen.

Het nieuwe Top Gear doet dat in ieder geval niet. Hetzelfde intromuziekje, dezelfde studio met hetzelfde publiek wat geforceerd staat te lachen om de 25e take van hetzelfde grapje, dezelfde overdramatische maar mooie beelden van auto’s, dezelfde entertainment>informatie manier van auto’s recenseren en dezelfde present… Wacht, nee, dat klopt niet. Clarkson is vervangen door Chris Evans, wat voor zover ik kan zien de Giel Beelen van Engeland is. Net als Giel Beelen denkt hij dat hij grappiger is dan eigenlijk het geval is, en had hij beter gewoon op de radio kunnen blijven. Chris probeert gigantisch hard om Clarkson te zijn, maar slaat niet eens een beetje in de buurt van de plank. Naast hem staat Matt Leblanc. Ja, die gast uit Friends. En hoe leuk Friends ook was, laten we niet vergeten dat het geen improvisatiecomedy was. Matt las leuke grappen voor, wat niet betekent dat hij humor heeft. Matt is de nieuwe Hammond in Top Gear, maar staat net als Evans volledig in het niets te slaan. Geen plank te herkennen in de wijde omgeving.

Het resultaat is een extreem pijnlijke herinnering aan het feit dat Clarkson, Hammond en May niet te vervangen zijn. Je voelt de ongemakkelijkheid terwijl Chris en Matt wanhopig proberen om Clarkson en Hammond te zijn, in plaats van gewoon hun eigen ding te doen. Misschien zijn ze wel grappig, maar ze willen (of moeten) nu te hard in de oude karakters passen om dat ooit te laten zien. De eerste aflevering bevat een zogenaamde race tussen Matt en Chris in Reliant Robins, wat ook voelt als een zielige poging om wat ouderwetse Top Gear humor in je gezicht te drukken. “Hey, weet je nog die keer met Clarkson en de Reliants? Dat was leuk. Hier, meer Reliants! Is ons nieuwe programma al leuk?”. Nee, BBC. Sorry.

De star in a reasonably priced car is één van de weinige dingen die veranderd is. Een nieuwe Mini is nu opeens reasonably priced, blijkbaar, en het circuit bevat nu een stuk off-road. Dat gaat vast en zeker voor eerlijke rondetijden zorgen als het straks gaat stortregenen. Maar gelukkig gebeurt dat nooit in Engeland. Het zorgt wel voor redelijk leuke beelden, dat moet ik toegeven. Sabine Schmitz, de bekende Nürburgringkoningin, was welgeteld een minuut of drie in beeld en voegde erg weinig toe. De enige persoon die dit nog had kunnen redden, Chris Harris, zit blijkbaar niet in het uiteindelijke programma en doet schijnbaar alleen de online nabeschouwing en/of Making Of. Goed bezig, BBC.

Nou was mijn enthousiasme al zo diep de grond in geboord dat het bij de onderburen in de woonkamer lag, maar er was nog één ding wat het erger kon maken. De geforceerde humor, de slappe items, de ongemakkelijkheid van de cast en het totale gebrek aan vernieuwing waren nog niks in vergelijking met deze catastrofe. Want wie liep daar binnen bij het ‘Star in a not really reasonably priced car’-segmentje?

13321000_1034043660009250_310019415_oJesse… Fucking… Eisenberg…

Top gear is dood.

Over Christopher Nolan en filmsnobs

Vandaag ga ik het hebben over films en filmsnobs, zonder daarbij zelf als een filmsnob te klinken. Dit is een lastige taak, maar ik denk dat ik het aankan.

Enkele minuten geleden drukte ik mijn blu-ray speler uit en stopte ik Interstellar terug in zijn hoesje. Twee jaar geleden zag ik Interstellar voor het eerst in de bioscoop. Een week later zag ik hem voor de tweede keer in de bioscoop, en nu zag ik hem voor de derde keer in mijn eigen huis. Dat ik een film drie keer kijk in twee jaar tijd is vrij uniek te noemen. Ik ben niet het type wat films eindeloos kan herkijken. Zolang ik me nog teveel herinner, is de lol er voor mij vanaf. Ik wil dat een film me raakt, en dat lukt gewoon bij lange na niet zo goed als je exact weet wat er wanneer gaat gebeuren. Maar er zijn films die me keer op keer weten te raken. Misschien niet als ik ze elke dag zou kijken, maar drie keer in twee jaar wel. En ik zal hier vandaag gewoon schaamteloos toegeven dat ik een traantje heb weggepinkt net tijdens Interstellar. Misschien zelfs wel twee. Zelfs al wist ik wat er ging gebeuren.

Er is iets unieks aan de manier waarop Christopher Nolan zijn films maakt. Ik kan niet helemaal uitleggen wat het is, en dat is vervelend. Want daarom kan ik me niet goed verdedigen tegen de vele nare mensen op deze wereld die een ander hun plezier niet gunnen. Maar daarover later meer. Eerst ga ik toch een poging doen om uit te leggen waarvan ik net claimde dat ik het niet uit kan leggen. Laat me ten eerste stellen dat ik 100% weet dat Nolan’s films niet perfect zijn. Er zitten vast plotgaten in Interstellar. Gegarandeerd. Er zijn vast al duizenden mensen geweest die ze uitgebreid op een rijtje hebben gezet op het internet. En zo nu en dan zit er een klein stukje in wat ook mij ervan overtuigt dat zijn films niet perfect zijn. Een slecht grapje, een net iets te lange scene of iets anders kleins. Geen enkele film is perfect.

Maar er is iets extreem belangrijks wat Nolan als geen ander kan, en dat is het neerzetten van een in mijn ogen simpelweg perfect filmervaring. Geen perfecte film; een perfecte ervaring. Een film die vanaf de eerste seconde tot aan het einde aanvoelt als een intense, emotionele en uiteindelijk extreem bevredigende achtbaan. Maar je moet wel een bewuste keuze maken om te gaan genieten van die ervaring. En zo komen we aan bij de filmsnobs… Mensen die vaak van tevoren al besluiten dat ze een hekel hebben aan alles wat van grote, populaire regisseurs zoals Christopher Nolan wegkomt. Mensen die beginnen aan een film als Interstellar met het doel om hem kapot te maken. Helaas niet alleen voor zichzelf, maar het liefst ook voor anderen. Ze gaan de hele film op zoek naar dingen die “echt niet kunnen hoor” of die “wetenschappelijk gezien helemaal nergens op slaan”. Dat de filmmakers hulp hebben gekregen van wetenschappers die qua intelligentie elk internetforum bij elkaar opgeteld nog zullen overstijgen, dat maakt niet uit. Want deze mensen hebben wel even op wikipedia gelezen wormgaten en de relativiteitstheorie werken, en dat is níet zoals in deze fictieve film die puur gemaakt is voor vermaak en niet om je te leren over hoe wormgaten en de relativiteitstheorie werken. Hoe durf je, Nolan!? Jij klootzak!

Waarom zou je jezelf dit aandoen? Waarom zou je in godsnaam een film zo willen kijken? Suspension of disbelief is een prachtig iets. Je kijkt een film, geen documentaire. Ik ben de eerste die zal toegeven dat ik geen wetenschapper ben. Ik weet nauwelijks hoe een worm werkt, laat staan een wormgat. Maar dat maakt helemaal niet uit. Die kennis is volledig 100% irrelevant om van Interstellar te genieten. In het universum van de film, geloof ik wat de film mij vertelt over de werking daarvan. Want dat is alles wat ertoe doet. Waarom wordt er bij Star Wars niet geklaagd over het gebrek aan realisme, maar bij Interstellar wel? Ik begrijp het niet, en ik heb medelijden met mensen die niet kunnen kiezen om te genieten van een goede filmervaring. Ze zijn vooral heel hard bezig met bewijzen hoe slim ze zijn. Weet je wat ze zijn? Pretentieus. Wat heel toevallig het woord is wat de meeste gebruiken als ze films zoals Interstellar omschrijven. Dat vind ik wel ironisch.

Maar misschien ben ik nu zelf ook wel een filmsnob, omdat ik neerkijk op filmsnobs en de manier waarop zij hun films kijken. Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat geen enkele regisseur me zo aan mijn scherm gekluisterd weet te houden als Christopher Nolan. De verhaalvertelling, de casting, de cinematografie, de muziek, de lengte, elke scene, elk gesprek. Zoals ik al zei, niet alles is perfect, maar het werkt wel allemaal samen richting die onvergetelijke ervaring. Ik kan nog steeds niet kiezen of The Dark Knight of Interstellar mijn favoriete film is. Ik geloof dat ik volgens de snobs moet zeggen dat het The Godfather of Shawshank Redemption is ofzo. En hoewel ik die allebei fantastisch vond, zijn ze me niet bijgebleven op de manier waarop Nolan’s films dat nog altijd doen. En voor mij is de ervaring van een film veel belangrijker dan hoe goed hij objectief gezien is. En daarom hoop ik dat ik in mijn leven nog vele films van Nolan mag verwelkomen op mijn netvlies.

Levensplannen waarvan de kans bestaat dat ze nooit fatsoenlijk uitgevoerd gaan worden

Heb ik ooit gezegd dat ik slecht ben in titels? Ja? Mooi.

Het is weer eens tijd voor een persoonlijke blog. De laatste keer dat ik dat deed, schreef ik over hoe ik mijn leven ging veranderen door de afwas te doen. Dat klinkt dramatischer dan het is. Lees het hier vooral nog even terug. Of niet. Hoe dan ook, later schreef ik nog een slecht vervolg wat ik weer offline heb gehaald. Nu is het tijd voor een goede opvolger. We zijn drie maanden verder, dus hoe staat het met mijn afwas? En heel misschien zelfs nog wel belangrijker: hoe staat het met mijn leven?

De afwas is  gedaan, dat kan ik je vertellen. Ik kan je ook vertellen dat hij niet elke dag is gedaan. Er zijn periodes geweest waarin ik, soms kort en soms langer, even terugviel in mijn oude gewoonte van uitstellen. Het is echter nooit meer zo erg geworden als in mijn duistere dagen van 2015, toen ik een tijdje lang in de zwaarste depressieve periode zat die ik ooit meemaakte. Over het algemeen kan ik zeggen dat ik, op de paar missers na, me goed houd aan mijn voornemens. Maar we hebben het nog steeds maar over twee hele kleine dingetjes die op een heel mensenleven maar weinig invloed zullen hebben. Dus, hoe gaat het verder met mijn leven? Wat is er de afgelopen drie maanden gebeurd, maar nog veel essentiëler: wat gaat er de komende drie maanden gebeuren? Of de komende drie jaar?

Laten we eerst een hele snelle samenvatting doorlopen van de laatste drie maanden. Slechts dagen nadat ik de afwas-blog schreef, kreeg ik een baan. Ik werd aangenomen. Iemand achtte mij een geschikte werknemer en stemde in mij geld te geven in ruil voor werkzaamheden. Laat dat even goed tot je doordringen. Okay, waarschijnlijk is dit alleen voor mijzelf schokkend. Ik had niet verwacht dat het ooit nog ging gebeuren, eerlijk gezegd. Maar het gebeurde, en nu heb ik een geweldig leuke baan in Groningen. Ik rij bijna elke werkdag met mijn Mazdaatje 70km heen en weer en werk vaak acht uur, wat een bizar grote overgang was vanuit mijn oude levenspatroon. Dat bestond vaak uit de hele dag achter mijn PC hangen, niks uitvoeren, diep in de nacht in bed storten en er in de middag nog eens uit rollen. Ik werk nu van 10 tot 6, wat betekent dat ik om 9 uur de deur uit moet. Niet schokkend vroeg, maar het vereist wel discipline om op tijd naar bed te gaan en er op tijd weer uit te komen. Iets wat me verbazingwekkend goed lukt.  Dus, hoe beïnvloed dit alles mijn leven? Tot nu toe zorgt het ervoor dat ik vaak niet toekom aan fatsoenlijk eten koken, of aan het schoonmaken van mijn huis. Maar dat maakt niet zo veel uit. Ik voel me aanzienlijk beter, ondanks dat ik een enorm deel van mijn vrije tijd kwijt ben. Want ik deed toch niks met die tijd. Nu doe ik in ieder geval iets. Het geeft voldoening, en het zorgt ervoor dat ik de vrije uren die ik heb veel beter ga invullen. Zo krijg ik gek genoeg meer gedaan ondanks dat ik minder tijd heb, puur omdat ik mijn tijd veel meer ben gaan waarderen.

Dus eigenlijk ben ik best tevreden met m’n leventje. Ik heb een leuk baantje, genoeg vrienden en hobby’s om me in de vrije dagen bezig te houden en genoeg geld om redelijk te leven. Maar toch is er een dreigend gevoel wat me achtervolgt. Want ja, ik ben gelukkig met mijn baantje, maar ik realiseer me ook heel erg goed dat dit niet iets is wat ik de rest van mijn leven kan doen. Niet iets is wat ik de rest van mijn leven wil doen. Ik ben 23, wat in de ogen van velen jong is. Maar in mijn ogen valt dat wel mee. Het betekent dat ik, als we uitgaan van de gemiddelde levensverwachting, ver over een kwart van mijn leven zit. En wat heb ik ermee gedaan? Inderdaad: bar weinig. Deze baan is exact wat ik nu nodig heb. Het geeft me financiële vrijheid en het verplicht me om ritme aan te brengen in mijn leven, twee van de dingen die zorgden dat ik me zo vreselijk klote voelde vorig jaar. Maar het is erg belangrijk dat ik me nu niet te comfortabel ga voelen. Gelukkig is dat ook niet zo. Dat dreigende gevoel waar ik het over had, wordt steeds sterker. Een gevoel dat ik nu in een goede situatie zit, maar dat die niet eeuwig gaat blijven. Dat ik aan de slag moet om een eigen toekomst op te bouwen. En er is nog een boel werk te doen…

Dan komt opeens één van de meest gestelde vragen ter wereld weer bovendrijven: wat wil ik nou eigenlijk met mijn leven doen? Het antwoord daarop is een lastige. Ik weet exact wat er van me verwacht wordt. Ik moet een opleiding kiezen, die afronden, een baan vinden en vanuit die baan doorgroeien om zo een carrière op te bouwen. Van dure studie naar loondienst naar loondienst dus. Dat is wat je hoort te doen op deze wereld. Mijn eigen wensen conflicteren met dat algemeen geaccepteerde pad, en dat zorgt voor een enorm dilemma. Aan de ene kant voel ik namelijk wel de drang om gewoon lekker te conformeren en een studie te kiezen om misschien in september of februari weer te gaan doen. Maar het probleem is; ik heb het allemaal al geprobeerd. En er is keer op keer gebleken dat ik het gewoon niet kan. Dat is misschien ook wel deels omdat ik het niet wil, maar ook voor een groot deel omdat ik gewoon echt geestelijk niet zo in elkaar zit dat ik een conventionele studie aankan.

Een andere optie is om me niks aan te trekken van wat er van me wordt verwacht. Want wie moet er uiteindelijk nou leven met mijn keuzes? Juist: ik. En het is ik die eigenlijk gewoon nog altijd droomt van een onconventioneel leven. Ik ben niet het type wat kan leven met een kantoorbaan tot aan zijn 67e. Ik wil niet 40 jaar van mijn leven opdrachten voor anderen uitvoeren voor marginale hoeveelheden aan geld. Ik wil geen standaard huisje, boompje, beestje leven. Ik wil geen twee kinderen, geen carrièrevrouw, geen rijtjeshuis in Drenthe en geen suffe golden retriever. En begrijp me niet verkeerd, als je dat wel hebt of wilt, daar is helemaal niks mis mee. Mensen voelen zich vaak direct aangevallen als je zegt dat je zulke verlangens niet deelt, en voelen daarmee ook vaak de drang om mijn conflicterende dromen belachelijk te maken. Dat hoeft helemaal niet. Je moet gewoon doen wat je gelukkig maakt in dit leven, voor zover dat mogelijk is.

Dus, wat wil ik? Als ik me even niks aantrek van wat anderen ervan zullen denken, wat is dan het juiste antwoord op de vraag: wat wil ik doen met mijn leven? Simpel. Ik wil dingen creëren. Ik wil mijn eigen baas zijn; producten en diensten maken die zowel anderen dienen als mijzelf. Ik wil verantwoordelijk zijn voor mijn eigen geluk en mijn eigen geld. Ik wil de wereld een iets betere plek maken, ook al is het maar een heel minuscuul klein beetje. Ik wil een boek schrijven. Gewoon eentje. Ik wil reizen. Geen verre landen, gewoon lekker in Europa. Ik wil mensen inspireren. Mensen zoals ik, die moeite hebben met de conventionele manier van leven, laten zien dat het anders kan. Ik wil aan mezelf en stiekem ook aan anderen bewijzen dat ik ondanks mijn tegenslagen geen waardeloos mens ben. Dat mijn dromen niet alleen dromen waren, maar plannen. Ik wil rijk worden, niet om de status, maar om de vrijheid. Ik wil iemand op deze wereld vinden die bij me past en mijn leven met haar delen. En ik wil gelukkig worden. Dat vooral.

Maar ik geloof niet dat er opleidingen bestaan daarvoor. Ik geloof ook niet dat iemand hier, inclusief ikzelf, gelooft dat het allemaal gaat lukken. Maar ik geloof er wel in dat ik een dappere poging moet wagen als ik op mijn sterfbed tevreden wil zijn met mezelf. En ik geloof dat dit het perfecte moment is om te beginnen. Er is nog een lange weg te gaan, met vele obstakels. Mijn gebrek aan zelfvertrouwen en sociale vaardigheden is nog altijd aanwezig, maar ik merk dat ik beter word. Elke dag een beetje. Ik heb nog lang niet de vaardigheden, de kennis of de contacten om mijn ideeën werkelijkheid te laten worden. Maar ik kan leren. Ik heb tijd, ik heb motivatie, dus ik kan leren. En ik weet dat ik door niemand serieus genomen zal worden tot de eerste resultaten zichtbaar zullen worden. Zo gaat het altijd, toch? Maar weet je wat het is? Ik heb er toch nooit bij gehoord. Ik ben altijd anders geweest, en ik ben daarvoor altijd belachelijk gemaakt. Mijn drang om erbij te horen, om normaal te zijn, heeft er alleen maar voor gezorgd dat ik in diepe depressies stortte. Dus ik denk dat ik maar gewoon ga doen wat ik zelf wil doen. En als het niet lukt, dan kan ik in ieder geval zeggen dat ik mijn best heb gedaan. Dan kan ik tevreden zijn met mezelf, wat aanzienlijk belangrijker is dan de tevredenheid van anderen.

Een concreet plan moet ik nog uitwerken, maar ik weet globaal hoe ik het aan wil pakken. De sleutel tot succes ligt hier in het creëren van een ritme en het elimineren van de dingen die me momenteel nog erg tegenhouden. Ritme heb ik momenteel redelijk, dankzij mijn werk, maar ik wil vanaf nu elke dag één of twee minuten eraf schaven tot het punt waar ik een uur of drie heb voor ik naar mijn werk moet. Daarin wil ik ten eerste lichaamsbeweging gaan opnemen. Ik merk elke keer weer dat de dagen waarop ik lichaamsbeweging krijg, ik me veel energieker en gemotiveerder voel. Geen zweterige sportscholen vol mensen meer voor mij; gewoon een simpel stukje (hard)lopen in het natuurgebied achter mijn huis. Half uurtje. Elke dag. Geen uitzonderingen. Niet iets wat ik in een week denk te bereiken, maar zeker iets wat ik voor het einde van het jaar wil halen. Elke dag twee minuten eerder opstaan, en elke dag een beetje verder/sneller lopen. Kleine, haalbare stappen. Na het lopen en het douchen zou ik dan nog twee uur over moeten hebben, die ik wil gaan benutten om te leren of te werken aan mijn eigen projecten.

Het elimineren van de dingen die me tegenhouden is nogal breed. En dat is expres. Er zijn namelijk veel dingen die me tegenhouden. Mijn zelfvertrouwen is laag, ik raak veel te snel afgeleid, ik heb een vrij ernstige verslaving aan internet en social media, ik laat me te makkelijk verleiden tot slechte levenskeuzes (fast food eten ipv een fatsoenlijke maaltijd koken, tot veel te laat gamen met vrienden ipv slapen) en ik ben nog altijd een sociaal wrak. Maar het zijn allemaal dingen die op te lossen zijn. Dat hoeft niet binnen een maand, of zelfs niet binnen een jaar. Want ze maken me niet 100% zinloos. Met elke kleine verbetering word ik een beetje efficiënter, tot ik op een niveau zit waar ik tevreden mee ben. Ik zit nu in de luxepositie waar ik dankzij mijn baan eindelijk zonder al te veel tijdsdruk of financiële druk, en zonder een hevige depressie, aan mezelf kan werken, wat een veel betere kans op slagen geeft. Ook hier zal de sleutel tot succes liggen in kleine, haalbare stappen ipv grote, overweldigende plannen.

Dus, we zijn hier weer eens aangekomen. Ik heb plannen gemaakt en ze neergeschreven, en nu is het de vraag of ze waargemaakt zullen worden. Ook ik heb mijn twijfels, wat best logisch is. Het gaat me echter niet tegenhouden om het te proberen. Laatst las ik enkele oude blogs terug en realiseerde ik me hoeveel progressie ik al gemaakt heb. Lang niet alles daarvan is zichtbaar voor buitenstaanders, maar dat maakt ook niet uit. Ik kan meer dan ik denk. En dat lijkt me een mooie afsluiter. Ik zal proberen deze blog zo nu en dan te updaten met mijn progressie. Voor mezelf, en voor de paar verdwaalde mensen die dit nog lezen. Tot dan.

Mijn matige Batman vs Superman recensie

Hoi. Ik ging vandaag naar de bioscoop, en nu ga ik mijn willekeurige gedachten over de film die ik daar zag in een blog gooien die misschien wel een soort van als recensie te bestempelen valt.

Laat ik beginnen met een soort disclaimer. Ik weet helemaal niks over stripboeken, laat staan het hele DC en Marvel gebeuren. Ik kan de twee niet uit elkaar houden, ik heb geen idee wat het originele verhaal is van batman of van superman of van iron man of van welke man dan ook. Mijn interesse in comic books, zoals ik ze nu maar zal noemen om ze te onderscheiden van de Donald Ducks en de Suske-en-Wiske’s, is simpelweg afwezig. Ik snap best dat mensen het allemaal geweldig vinden, maar ik zelf vind er geen zak aan. Dat komt voornamelijk omdat ik geen superheldfantasieën heb of ooit heb gehad. Ik hoef geen laserogen, ik hoef niet te vliegen en ik hoef ook geen muren kapot te kunnen slaan. Geef mij maar gewoon zo’n tof laserpennetje waar katten altijd wild van worden. Ik rij liever dan dat ik vlieg, en muren hebben me nooit echt vreselijke dingen aangedaan. Als ik mocht kiezen tussen superkrachten of een berg geld, ging ik voor het geld. Saai misschien, maar ik ben een simpel persoon wat blij word van simpele dingen.

Dus nee, ik ben niet zo’n persoon wat je tijdens alle recente superheldenfilms gaat vertellen wat er allemaal niet klopt in vergelijking met de strips of oude series. Het interesseert me bar weinig of batman opeens een roze cape draagt of dat Wolverine’s klauwen een centimeter korter zijn dan in de strip. Alles waar ik om geef is het vermaak wat de film mij bied. Toch, ondanks mijn totale desinteresse in superhelden, is The Dark Knight van Nolan waarschijnlijk nog altijd mijn favoriete film. Het is ook zo’n voorbeeld wat volgens de fans niet accuraat is en vol fouten zit, maar jezus wat was die film idioot goed. Daarnaast heb ik Batman altijd net wat meer gemogen dan elke andere ‘superheld’. Batman heeft geen bovennatuurlijke krachten. Hij is gewoon een rijke lul in een duur pak die mensen in elkaar slaat. Laten we vooral niet zeggen dat het realistisch is, maar het bevat een hogere “mwoah, dit zou heel misschien nog kunnen”-graad dan laten we zeggen een Superman, die letterlijk een alien is geloof ik. Die eruitziet als een man met een vetkuif. Ik weet het ook allemaal niet… Daarnaast heeft Batman een butler die Alfred heet, en dat is geweldig. (hint: ik heet Alfred)

Goed, laten we het eens over de film gaan hebben die ik zei te gaan recenseren. Batman vs Superman (BvS vanaf nu) is het laatste werk van Zack Snyder, die we kennen van geweldige films als… Oh, uhm… Wacht, er moet hier ergens iets zijn. Geef me heel even… 300? Nee, die was bagger. Sucker Punch? Nah, die keken we alleen voor Emily Browning. Man of Steel dan? Nee, ik heb zelden zo hard mijn best moeten doen om een film uit te zitten. Okay, dus Zack Snyder kennen we van films. Laten we het daarop houden. Hij maakt films. Ook BvS is een film, dus we kunnen stellen dat deze man ervaring heeft. Daarnaast heeft hij twee licenties en een concept met een verdomde lading potentie. Mij interesseert het allemaal matig misschien, maar voor veel mensen had deze film een episch meesterwerk kunnen worden. De film der films.

En wat deed Snyder? Hij castte Jesse Eisenberg. Jesse… Fucking… Eisenberg… Als Lex Luthor, Superman’s grootste vijand ofzo. Het punt is dat Eisenberg de complete film bijna direct naar beneden trekt met zijn treurige, wanhopige pogingen om een Heath Ledger’s Joker performance neer te zetten. In elke scene zie je hem veel te hard proberen om een excentrieke schurk te zijn, en het lukt hem gewoonweg niet. Zijn hoofd is sowieso al uiterst onuitstaanbaar (niet dat ik mag klagen over onuitstaanbare hoofden, maar ik doe het lekker toch), maar zijn pijnlijk geforceerde acteerwerk maakt het alleen maar erger. Ik kan moeilijk omschrijven hoeveel haat ik heb voor zijn rol in deze film. Het is slecht geschreven en daarna met zichtbare toewijding, maar desondanks totale mislukking uitgevoerd. Gelukkig blijkt Ben Affleck een betere batman dan verwacht. Dat compenseert een beetje voor Eisenberg’s Ledger impressie.

Maar dus, de film springt in het begin wat heen en weer om een verhaaltje op te bouwen, inclusief een onvoorstelbaar voorspelbare scene waarin Batman een klein meisje redt wat om één of andere reden in instortend kantoorgebouw stond (serieus, waarom staan er altijd zielige kinderen in instortende gebouwen in films? Zit er in elk gebouw gewoon een afgesloten ruimte met een zielig kind ingebouwd, wat pas vrijkomt als het gebouw instort, puur en alleen zodat de filmheld het nét op tijd kan redden van een vallend puinstuk en het daarna een omhelzing kan geven terwijl er epische muziek aanzwelt?). Maar goed, uiteindelijk komen Batman en Superman elkaar tegen en, dit is geen spoiler want de de titel van de film verklapt het al dus zeur niet, gaan ze elkaar slaan. Dan denk je dat het voorbij is maar gebeurt er opeens nog een uur lang allerlei onzin, en dan eindigt het met meer onzin. Ik zou graag uitweiden, maar dan ga ik het verhaal verklappen en daar worden sommige mensen erg kwaad van. Het voelt allemaal een beetje haastig samengeraapt aan. Er wordt van alles in de film gepropt, en het krijgt allemaal maar weinig aandacht eigenlijk.

Mijn conclusie is dat Snyder hier een fantastische film van had kunnen maken. Maar in plaats daarvan deed Snyder wat Snyder doet. Als een soort overenthousiaste puber allemaal wilde ideeën bedenken en ze zonder al te veel coherentie in een film gooien. Met Jesse Eisenberg. Waarom in godsnaam Jesse Eisenberg? Maar goed, genoeg gezeurd. Ik heb me best vermaakt met BvS. De film zit technisch redelijk in elkaar en bevat genoeg mooie beelden en toffe actiescènes. Het daadwerkelijke gevecht tussen de vleermuisman en de vliegende kerel met een allergie voor groene stenen is best wel verdomd tof. Het is echt geen film waarbij je je zult vervelen. Maar het is geen Dark Knight, en zelfs geen Dark Knight Rises, hoe hard het dat ook probeert te zijn.