Toekomstangst

Niet zo heel lang geleden was ik op vakantie, toen ik ‘s avonds in het hotel mijn wifi aanzette en een email ontving. Ik had een nieuwe reactie op mijn blog. Nou zijn reacties op mijn blog best wel zeldzaam, en ik had toen al een tijdje niks meer geschreven. “Hoe is het nu met je?”, luidde de vraag. En vandaag is het tijd om die vraag maar eens totaal onduidelijk te gaan beantwoorden. Want ik heb zelf eigenlijk ook geen idee. Dat is raar. Een mens weet over het algemeen best of het wel of niet goed met hem gaat. En dan bedoel ik niet het antwoord wat je geeft als willekeurige mensen “Hoe is het?” vragen, want dan is het altijd “goed”. Dat zijn sociale conventies, en ik haat sociale conventies. Ik heb het over die zeldzame keren dat iemand oprecht vraagt “Hoe is het?”, en je eindelijk een keer niet het toneelstukje hoeft op te voeren.

Dat klinkt allemaal negatief, maar het is niet negatief. Ik zit momenteel namelijk best lekker in mijn vel. Ik ben nu na een maand of acht nog steeds tevreden met mijn baantje, en ik vind het nog steeds prettig om mijn eigen geld te verdienen. Vaak ben ik met reistijd wel 50 uur per week van huis, wat me met weinig vrije tijd overlaat. Dat kan vermoeiend zijn, maar ik trek me er beter doorheen dan ik verwacht had. Het voelt goed om iets te doen, zelfs al is het misschien niet altijd het meest nobele werk ter wereld. Buiten mijn werk om heb ik genoeg te doen, en ik heb eindelijk een beetje het idee dat ik een ‘vol’ leven heb. “Een vol leven” is, grappig genoeg, een beetje een lege uitspraak. Maar wat ik bedoel is dat ik, in tegenstelling tot voorgaande jaren, eindelijk een beetje het gevoel heb dat ik wat meer uit mijn leven haal. Mijn vrije tijd heeft weer waarde gekregen omdat het schaarser is geworden, en daardoor geniet ik meer van de momenten die ik kan besteden aan mijn hobby’s. Ik geniet nog altijd enorm van mijn auto’s, en tot mijn groot genoegen begin ik eindelijk ook weer de zin voor het schrijven terug te krijgen. Al van kinds af aan genoot ik van schrijven, maar ik heb altijd last gehad van grote writer’s blocks in mijn mindere periodes. Momenteel schrijf ik weer regelmatiger blogs, maar ook zo nu en dan wat fictie (die ik voorlopig nog even niet met de wereld ga delen).

Dus je zou gewoon zeggen dat het goed gaat, toch? Ja. Een normaal persoon zou dat waarschijnlijk zeggen, maar ik heb wel eens mijn twijfels of ik me daaronder mag rekenen. Als ik op een maandagmorgen in mijn donkerblauwe diesel Volvo (ik heb sinds kort een donkerblauwe diesel Volvo) over de weg naar werk tuf tussen alle donkerblauwe diesel Volvo’s, voel ik me wel eens normaal. En ik zal eerlijk toegeven dat dat best fijn is. Het is één van de redenen dat ik blij ben met mijn baantje. Het hebben van een (redelijk) full-time baan is een fantastische manier om je tussen de normale mensen te scharen. Je kunt eindelijk een antwoord geven op de vraag “wat doe jij nou eigenlijk?” die mensen zo graag stellen. Maar aan de andere kant maakt het me bang. Want het is niet wat ik wil.

Wat wil ik dan? Daar ligt het probleem een beetje. Ik ben op dat gebied nog net een klein kind. Ik weet totaal niet wat ik wil, ben hevig impulsief en mijn toekomstplannen kunnen binnen een dag wel vijf keer wijzigen. Ik denk zelfs dat ik als kind duidelijkere dromen en plannen had dan nu. Het enige wat ik heb is een duidelijk beeld van wat ik niet wil. Wat ik niet wil is op mijn 40e nog steeds elke dag in een donkerblauwe diesel Volvo naar een baan rijden die me geen voldoening geeft of erger nog: waar ik elke enkele dag tegenop zie. Ik wil geen leven waar ik een heel jaar werk voor een week vakantie, of waar ik mijn geld moet tellen voor ik boodschappen bij de Aldi kan doen. De domme conclusie is dat ik niet ongelukkig wil zijn… En het nog dommere gevolg daarvan is dat ik best vaak ongelukkig ben.

Maar wat doe je in zo’n situatie? Mijn streven naar een nog onbekende versie van geluk, zorgt ervoor dat ik moeite heb met geluk vinden in mijn huidige situatie. Verwacht ik te veel van het leven? Word ik zo iemand die zijn hele leven op zoek blijft naar iets wat hij nooit gaat vinden? Iemand die op zijn sterfbed alleen maar spijt heeft van alles? Dit zijn de dingen die me bezighouden als ik ‘s nachts in bed lig of als ik overdag achter mijn bureau zit op werk. Zo veel mensen lijken al deze dilemma’s simpelweg niet te hebben. Ze zijn gewoon blij met hun studentenleventje, krijgen daarna een baantje en leven nog lang en gelukkig. Ondertussen zit ik hier op vierentwintigjarige leeftijd. Ik ben sociaal geïsoleerd, heb geen enkele vorm van een nuttige opleiding op mijn naam, mijn zelfvertrouwen is zo laag dat het momenteel ergens rond de aardkern zou moeten liggen en het leukste; ik heb geen enkel idee wat ik nou eigenlijk met mijn leven wil.

Alles wat ik weet is dat ik een rusteloos gevoel heb dat ik meer uit het leven wil halen voor ik dood ben. Al vele, vele jaren ben ik op zoek naar dat ‘meer’, maar mijn eigen angsten en grenzen houden me veel te erg tegen, wat er alleen maar in resulteert dat ik ongelukkig zit te dromen. Ik wil reizen en de wereld zien, maar ben te bang om in mijn eentje de grens over te gaan. Ik wil nieuwe mensen leren kennen en mijn sociale grenzen verleggen, maar mijn sociale angst is verlammend aanwezig. Ik wil mijn eigen bedrijf opzetten en zo mijn geld verdienen, maar mijn angst voor falen is sterker aanwezig dan mijn vertrouwen in succes. Ik wil schrijven en zowel mijn fantasie als mijn observaties over de wereld delen, maar mijn constante zelfkritiek zorgt ervoor dat minstens driekwart van wat ik neerschrijf weer wordt weggegooid.

Dus… Eigenlijk gaat het niet heel goed met me. Ik zit in een periode van mijn leven waarin ik echt een keer keuzes moet gaan maken over wat ik wil gaan doen en hoe ik het wil doen, maar het enige wat ik doe is een beetje verlamd in mijn huidige situatie blijven hangen, te bang om uit mijn comfort zone te komen. Ik heb niet het lef om mijn dromen na te jagen, maar ben ook doodsbang voor de resultaten als ik dat niet doe. Dus ondanks dat ik een leuke baan heb en dat ik me in vergelijking met mijn écht depressieve periodes echt wel heel goed voel,  is er mentaal nog steeds genoeg mis en moet ik daar eigenlijk hulp bij gaan zoeken. Het probleem is dat veel vormen van hulp het type is wat me gaat vertellen dat ik mijn rare dromen moet laten varen en gewoon moet doen zoals alle mensen van mijn leeftijd. Maar dat is niet wat ik wil. Ik wil mijn angsten en grenzen overwinnen zodat ik eindelijk wat meer uit mijn leven kan halen. Zoveel jaren heb ik verspild, en ik wil ze inhalen. Ik wil mezelf niet verbeteren zodat ik daarna een saaie zakenman kan worden die in een donkerblauwe diesel Volvo naar een kantoorbaan rijdt… Dan ga ik liever gewoon nu dood. Ik wil mezelf verbeteren zodat ik over vijf, of tien, of vijftien jaar kan gaan inhalen wat ik in het eerste hoofdstuk van mijn leven heb gemist. Want dat is zo veel.

Ik weet dat dit weer een grote déjà vu is en dat ik alles wat ik hier roep al honderd keer eerder in iets andere woorden heb gezegd. Ik begin me zelf ook te realiseren dat de kans groot is dat ik op mijn vijftigste nog steeds dit soort blogs schrijf en nog altijd niet gevonden heb wat ik nou eigenlijk zoek. Ook dat maakt me bang. Fucking alles maakt me bang. Gelukkig heb ik hoop, en heb ik plannen. Kleine plannen en grote plannen om mezelf langzaam met kleine stapjes te verbeteren. Ik heb in de laatste maanden al aardige verbeteringen doorgaan met betrekking tot mijn zelfvertrouwen en denkwijze, en dat wekt zeker goede hoop. Maar er zijn nog lange, grote stappen te gaan. Of en hoe ik daar professionele hulp bij wil inschakelen weet ik nog niet, gezien mijn matige ervaringen daarmee. Ik hoop dat ik mezelf over de komende paar jaar op een punt kan krijgen waar mijn angsten niet meer verlammend zijn en ik eindelijk het lef heb om de dingen te doen die ik diep van binnen zo graag wil doen. Over de komende weken zal ik in enkele blogs mijn plannen uitwerken voor de geïnteresseerden.

Maar de vraag was: “hoe is het nu met je?”. Als ik één woord moest kiezen, dan ging ik denk ik voor één van de mooiere uit onze taal: “raar”. Alles is een beetje raar. Ik zit in een redelijk goede situatie, maar met een redelijk uitzichtloze toekomst, wat voor een vreemde mix van stemmingen en gevoelens zorgt. Maar het mooie is dat die goede huidige situatie het perfecte moment is om die uitzichtloze toekomst aan te gaan pakken. Dus dat gaan we doen! Alweer! Maar dit keer gaat het lukken. Toch?

 

But I’m trying every morning that I wake to stand up straight
And to always tell the truth and give back more than I take
And to be kind and pure, less fucking scared of everything
I just can’t take much more of this, I’m sure

~ The Airborne Toxic Event

Waarom ik soms maanden niet naar mijn favoriete band luister

Zojuist heb ik een nét iets te hoge hoeveelheid geld afgetikt voor een biografisch boek over een rockbandje waar ik soms maandenlang niet naar luister, maar die ik nog altijd zonder aarzeling opgeef als mijn favoriete band. Het is iets wat ik zelf soms ook niet helemaal snap, maar mijn relatie met ‘The Airborne Toxic Event’ is een vreemde. Veel mensen die zichzelf hechten aan een bepaald fandom, doen dat op obsessieve wijze. Zo heb ik nooit gewerkt. Ik ben niet het type wat zijn favoriete film elke week kijkt, omdat ik hem dan ga haten. Het liefst wacht ik een paar jaar, zodat ik de kleine details weer vergeten ben en op zijn minst nog een héél klein beetje dat gevoel kan evenaren van die eerste kijkervaring.

Hetzelfde gevoel heb ik bij mijn band der bands. De imperfecte, glorieuze klanken van The Airborne Toxic Event; een bandje wat bijna niemand in Nederland kent maar wat in Amerika enorme zalen uitverkoopt. Het is een band die ik onderhand vier keer live heb gezien, wat best veel is als je bedenkt dat ze bijna nooit naar Nederland komen. En elke enkele keer was het magisch. Ik kan nooit helemaal uitleggen wat TATE, zoals iedereen ze noemt omdat ze een idioot lange naam hebben, nou exact zo bijzonder voor me maakt. Wel een beetje, maar niet helemaal. Het is een gevoel, en gevoelens zijn lastig in woorden om te zetten. Zelfs voor iemand als ik, die zichzelf daar meestal redelijk mee weet te redden. Gevoel is voor mij misschien wel het belangrijkste wat er is bij muziek. Ik zal nooit vergeten dat iemand TATE ooit aan het afkraken was omdat de rijmschema’s niet klopten. Ik vond het tegelijk fascinerend en verontrustend. Rijmschema’s? Zijn er echt mensen die zich daarmee bezighouden als ze hun muziek opzetten? Nee, rijmschema’s staan vrij laag op mijn prioriteitenlijst als ik een muziekje opzet, net onder “zit het haar van degene die het boekje wat bij de CD zit, die ene die niemand ooit leest, wel goed?”. Het gevoel is alles. Muziek kan technisch totaal dramatisch in elkaar zitten en je alsnog een bijzonder gevoel geven. Bij TATE komt dat gevoel voort uit een liefde voor imperfectie en een liefde voor passie. “Een liefde voor passie” is ergens wel een grappige zin, gezien passie ongeveer een synoniem is voor “liefde voor”. Maar passie is essentieel in muziek.

Laat me deze blog even extra chaotisch maken door opeens te verspringen naar Pinkpop 201…. Uh… 2011, geloof ik. Samen met een flink veld vol mensen, stond ik te wachten tot Coldplay ging optreden. Niet mijn favoriete band. Niet eens in mijn top 10, maar alsnog een band die ik op zijn tijd best prima weet te waarderen, en die zeker een paar fijne nummers heeft. Geruchten gingen dat het het duurste Pinkpop optreden ooit was. En daar waren ze dan; een kwartier te laat. Verveeld sjokten ze wat over het podium en persten ze er met tegenzin de bekende liedjes uit die ze die avond miljoenen gingen opleveren, om daarna te vroeg weer van het podium te verdwijnen. Het was duidelijk meer werk dan hobby, en dat straalde er aan alle kanten vanaf. Ik was beledigd. Geloof het of niet, er zijn een paar Coldplay nummers die me, samen met vele andere muziek, door zware tijden heen hebben geholpen. Ik was beledigd dat degenen die deze bijzondere muziek gemaakt hadden, er zelf geen zin meer in leken te hebben. Ik verwachtte meer. Meer emotie, meer leven… Meer passie! Passie hoor je terug, zie je terug en voel je terug.

Het is wat het debuutalbum van The Airborne Toxic Event, toepasselijk genaamd ‘The Airborne Toxic Event’, zo bijzonder maakt voor me. Muzikaal is het rauw en imperfect, maar je hoort in elk enkele nummer terug dat het met liefde gemaakt is. De emoties in de muziek zijn echt, en dat hoor je in de stem, de instrumenten en de teksten. Als ik de rest van mijn leven nog maar één album mocht luisteren, dan hoefde ik geen seconde te twijfelen. TATE’s debuutalbum heeft alles wat ik zoek in muziek. Het is emotioneel zonder zwijmelig te worden. Het is oprecht. Het is net hard genoeg, en net soft genoeg. De teksten zijn eerlijk en mooi zonder overdreven te worden. Zelfs de cover is mooi. Maar dat verklaart allemaal nog steeds niet waarom ik dit prachtige, in mijn ogen beste album soms maanden niet opzet.

Het is een combinatie van dingen. Ten eerste hebben we die film waar ik het in het begin over had, wat trouwens ook geldt voor boeken, videogames of wat dan ook. Het is een gevoel wat ik regelmatig heb. Soms raakt een film, boek of game je op zo’n manier, dat je dat vreselijke gevoel krijgt dat je het nooit meer voor de eerste keer kunt ervaren. Nooit meer dat kippenvel van die eerste keer die éne scene, dat éne couplet of die éne quote. Het enige wat je kunt doen is zo lang wachten als je maar kunt, en dan toch dat gevoel voor een fractie weer opgraven. Een paar weken geleden reed ik op vakantie in mijn geliefde auto door Duitsland. Het was nacht en er hing een verblindend mooie sterrenhemel boven me. Er was niemand op de weg behalve mijn vrienden in hun eigen auto’s, en ik besloot om TATE op te zetten. Het was toen al maanden geleden dat ik de band actief had geluisterd (dus niet een willekeurig nummer wat op shuffle langskomt), en ik beleefde even die magie opnieuw. Dat moment dat ik op mijn slaapkamertje zat, acht jaar geleden, en de band voor het eerst ontdekte dankzij mijn toenmalige vriendin. Ik raakte opnieuw geëmotioneerd door de pracht van deze muziek, wat alleen maar versterkt werd door verdere perfectie van het moment. Dat lukt gewoon niet als je een nummer elke dag draait.

Daarnaast is er nog een belangrijke reden. Voor mij is er een groot verschil tussen lege muziek en muziek met emotionele inhoud. Ik ben een groot fan van allebei. Bij lege muziek kun je denken aan drum&bass, dance, pop. Alles wat je kunt luisteren zonder enige vorm van emotie te voelen. Het is fijn voor je oren en het kan je stemming wel beïnvloeden, maar de muziek zelf is emotieloos. Vaak is dat heerlijk. Als ik op weg ben naar mijn werk vind ik weinig fijner dan wat lege dance, drum&bass of popmuziek knallen in de auto. Dat zijn helemaal geen momenten dat je dingen wil voelen, laat staan emoties. Maar er zijn momenten dat ik dergelijke muziek niet kan uitstaan. Het zijn de momenten zoals die nacht in die auto, met de sterren boven je en geen zorgen aan je hoofd. Dat zijn de momenten dat ik iets wil horen wat me kan laten voelen. Muziek met emotie, muziek met passie en muziek met herinneringen. Vele nummers van deze band zijn voor mij voor eeuwig verbonden aan herinneringen; zowel mooie als slechte. Het is niet iets wat ik zomaar wil opzetten als ik op een feestje of op mijn werk zit. Één ding is zeker; die nacht was niet half zo mooi geweest als ik Justin Bieber had opgezet. Nee, het was TATE wat een mooie nacht naar een onvergetelijke nacht omzette.

Die magie wordt mede mogelijk gemaakt door de onthouding. Soms moet je iets een tijdje laten staan om er weer écht van te kunnen genieten. Dat kan moeilijk zijn, maar het is het altijd waard. Fandom moet geen obsessie zijn, waarin je iets zo lang ontleed tot je er niet meer van kunt genieten. Het gaat er niet om dat je de meeste feitjes kunt citeren. Voor mij gaat het erom om dat bijzondere gevoel waardoor je in eerste instantie fan werd, over en over opnieuw te beleven. En daarmee sluit ik graag mijn zoveelste liefdesbrief aan The Airborne Toxic Event af.  TATE, kom alsjeblieft snel terug.

I think maybe it was Radiohead
It had this weird little beat and a keyboard instead of
Guitar playing chords, I remember how bored
You would get with those bands
You always said they play the same three chords

And you’d dance all around in your t-shirt and sing
Don’t you love Modest Mouse and adore Promise Ring?
Don’t you wish that you could just avoid everything?
Join a band, go on tour, and think of me when you sing?

Sons of Anarchy: Sutter’s bloedige bikerfantasie

DEZE BLOG GAAT HEVIGE SPOILERS BEVATTEN VOOR EEN SERIE DIE JE TOCH NIET MOET GAAN KIJKEN! LEZEN OP EIGEN RISICO!

sons-anarchy

Sons of Anarchy; bijna erger dan een SOA

Een paar maanden terug lag ik depressief op mijn bank, depressief te zijn, zoals ik dat wel eens doe. Ik zocht afleiding, en we weten allemaal dat er weinig afleidender is dan Netflix. Duizenden films en series instant op je scherm zonder enige vorm van oponthoud. Het is dé manier om je leven volledig weg te gooien, en dat is exact wat ik zocht. Ik was net klaar met een andere serie, en zocht iets nieuws. In de lijst stond ‘Sons of Anarchy'; een serie over een motorbende die, volgens de Netflix omschrijving, de strijd aangaan met neonazi’s, corrupte agenten en ander gespuis. Ofzo. Het klinkt bijna nobel, toch?

Nu, vele maanden later (en een stuk minder depressief, voor degenen die zich zorgen maakten),  heb ik zojuist de laatste aflevering van het laatste seizoen doorgezeten. Het was een uitdaging, moet ik eerlijk toegeven. Sons of Anarchy begint sterk. Hoofdpersoon Jax Teller zit met een moreel dilemma over zijn motorbende, die steeds gewelddadiger lijkt te worden. Hij vindt een manuscript van zijn overleden vader over dit geweld en probeert de club in een betere richting te sturen, wat uiteraard niet makkelijk gaat. Problemen overal, hier en daar wat geweld, maar het blijft redelijk in balans. De serie voelt goed uitgewerkt, met redelijk interessante karakters. Ik zou ook zeggen dat de eerste twee seizoenen best het kijken waard zijn. Daarna… Uh, nee.

Laat me even voorop stellen dat ik niet iemand ben die snel klaagt over geweld in entertainment. Ik maai regelmatig bergen virtuele mensen neer in verscheidene videogames, en heb tot mijn spijt zelfs een redelijk deel van de ‘Saw’ filmreeks gezien. Het geweld zelf is het probleem niet in Sons of Anarchy; het is hoe ermee om wordt gegaan. De serie wordt naarmate hij vordert in een schrikbarend tempo steeds bloediger. Waar er eerst nog enkele doden per seizoen vielen, loopt dat al snel op naar soms dozijnen per aflevering. Elk karakter in de serie begint als een volkomen losgeslagen massamoordenaar iedereen kapot te schieten, zonder daar ook maar enige moeite mee te hebben. Ze schieten onschuldige mensen neer, laten ze liggen en zorgen dat iemand anders het lijk opruimt, alsof het niks is. Het geweld verliest door de extreme kwantiteit en de nonchalante manier waarop de karakters ermee omgaan, elke vorm van impact. Je ziet het mijlenver aankomen dat die zogenaamde deal die gesloten wordt, toch wel weer gaat eindigen in een bloedbad. En dat gebeurt ook. Elke. Enkele. Keer. De serie denkt dat het je schokt met zijn plottwists. “Ooh, er zaten mannen met geweren in dat busje die nu iedereen afschieten! Dat zag je niet aankomen he?“. Jawel, Kurt Sutter. Dat zagen we wel aankomen, want je hebt het al tien keer eerder gedaan. Uiteindelijk zit je gewoon gapend te wachten tot iedereen zijn pistool trekt en elkaar gaat neermaaien.

Het ergste aan alle geweldsorgies zijn niet het geweld zelf. Dat zijn we allemaal wel aardig gewend vandaag de dag, vermoed ik. Nee, het is de smerige manier waarop de serie zijn karakters wil neerzetten. Ze worden van begin af aan opgehemeld als nobele familiemannen die alles doen voor hun club en hun familie. Natuurlijk, ze dealen in wapens en drugs en ze schieten hier en daar wat andere criminelen neer, maar ze doen het echt uit liefde hoor. En in de eerste paar seizoenen zit daar nog wel wat achter, op zich. Er wordt niemand neergeschoten die het niet verdient, en het geweld heeft dan nog impact. Het moment dat de vrouw van één van de hoofdkarakters per ongeluk wordt doodgeschoten is erg heftig, en wordt goed krachtig neergezet. De impact blijft een lange tijd zichtbaar in de karakters. Een paar seizoenen later wordt een complete club vol onschuldige prostituees genadeloos afgeslacht. We krijgen ongeveer twee shots van de schuldigen die een beetje geschokt kijken, voor ze over zaken beginnen te praten en weer verdergaan met mensen neerschieten. Je kunt het excuus gebruiken dat het een soort kritiek is op hoe je gewend raakt aan geweld ofzo, maar dat is het overduidelijk niet. Kurt Sutter, de regisseur van deze labiele zeven seizoenen lange geweldsorgie, is teveel bezig met het verheerlijken van deze bikermannetjes en hun ‘ruige’ leven. Zoetsappige montages van hoe ze hun kinderen kussen, hun moeders omhelsen of huilen om iets (nooit de honderden mensen die ze vermoord hebben, trouwens) zorgden bij mij meestal voor een ongelovig lachen, in plaats van de bedoelde tranen.

Net zo lachwekkend is de manier waarop “de club” wordt neergezet. Ik heb geen idee hoe het er in een echte motorbende aan toegaat, maar de mannen in Sons of Anarchy maken vooral de indruk van volwassen kerels die gangstertje aan het spelen zijn. Ze hebben een clubhuisje waar ze met een hamertje meetings houden, ze hebben koosnaampjes voor elkaar en allerlei andere zaken (je gaat niet dood. Nee, je ontmoet ‘Mister Mayhem’. Hoe oud ben je?), ze doen opperzielig over het uittrekken van hun leren jasje en ze mogen alleen maar op hun bespottelijk luide Harley Davidsons rijden, anders liggen ze uit de club. De overeenkomsten met een stel achtjarigen die vanuit hun zelf gebouwde boomhut een club hebben opgericht zijn enorm. En meisjes zijn bah, natuurlijk. De Sons of Anarchy is een mannelijke club voor mannelijke mannen vol gezichtshaar en tattoos. Vrouwen worden bijna alleen maar “pussy” of “old ladies” genoemd. Misschien is dit hoe het bikerleven in de VS is, maar desondanks walgde ik soms echt van hoe deze mensen werden neergezet als helden. Het zijn geen helden. Ook geen antihelden. Het zijn zielige mankinderen op motorfietsen die denken dat ze alles kunnen maken omdat ze een leren jasje aan hebben. Ik hoop echt met een passie dat niemand die deze serie kijkt ook maar een klein beetje hoopt te zijn zoals deze personages.

Zoals te veel series, gaat Sons of Anarchy vooral te lang door. Drie seizoenen was mooi geweest. Het tweede seizoen was in mijn ogen de laatste echt goede, maar liet nog genoeg ruimte over voor een geweldige afsluiter. In plaats daarvan zijn er zeven seizoenen. Zeven! En de afleveringen worden steeds langer, tot wel 80 minuten, wat gewoon speelfilmlengte is. Er gebeurt niet meer. Nee, er is gewoon meer tijd nodig voor alle scenes vol moord, verderf en het begraven van lijken (de karakters zitten serieus lacherig te roepen dat hun begraafplek in het bos vol raakt. Haha! Wat geinig. We hebben het bos volgestopt met lijken). Je hoopt ergens nog dat de boodschap uit de eerdere seizoenen terugkeert, maar dat gebeurt nooit echt. De laatste aflevering doet een poging, maar slaat daarna weer de plank volledig mis. Jax, die tegen die tijd waarschijnlijk al richting de duizend mensen vermoord moet hebben, direct of indirect, wordt tot het laatste moment neergezet als een held. Ook als hij zelfmoord pleegt door zijn motorfiets op een onschuldige vrachtwagenchauffeur in te rijden en die voor het leven te traumatiseren. Oh, wat een prachtige gekrenkte ziel. Hij ging op zijn geliefde motor het leven uit. Wat ontroerend. Toch? Nee. het is een verknipte seriemoordenaar die zijn laatste slachtoffer maakt. Ik had er geen problemen mee gehad, als Sutter het ook zo gebracht had.

Waarom ik de serie heb afgekeken? Meh, ik heb nog steeds iets nodig om mijn leven aan te vergooien, en ik had tot de laatste aflevering aan toe nog hoop dat het zichzelf nog een beetje ging fixen. Dat deed het niet. Sons of Anarchy blijft tot het laatste moment bergafwaarts gaan. Ergens is het wel komisch; de serie begint met het dilemma van Jax die al het geweld in zijn club wil stoppen. Hij laat zichzelf er door meevoeren en wordt steeds gewelddadiger. Dat was een bewuste keuze van de schrijvers. Maar later lieten ook zij zich meevoeren. De boodschap onder het geweld sijpelde langzaam weg met alle liters bloed, en het enige wat overbleef was een stapel lijken. Wat een serie had moeten worden over een nobele bikergang die het rechte pad opzoekt, werd vooral een langdurige verheerlijking van Sutter’s bloedige bikerfantasie. Wees maar blij dat ik het voor je gekeken heb, en zoek lekker een andere serie op. Netflix heeft er genoeg.

Nieuwe Top Gear is niet nieuw genoeg

Vandaag was het nieuwe Top Gear voor het eerst op TV, en ik stofte mijn TV-ontvanger er speciaal voor af. Ergens had ik een klein sprankeltje hoop dat de BBC het niet verpest had. Er was namelijk best veel potentie. Top Gear met Clarkson, Hammond en May was altijd nog vermakelijk, maar het begon wel erg oud te worden. De gescripte grappen en situaties werden steeds duidelijker, en de humor werd soms wat voorspelbaar. Een frisse wind door Top Gear was helemaal niet slecht in mijn ogen, en ik hoop ook zeker dat het nieuwe programma van het oude setje presentatoren iets nieuws gaat doen.

Het nieuwe Top Gear doet dat in ieder geval niet. Hetzelfde intromuziekje, dezelfde studio met hetzelfde publiek wat geforceerd staat te lachen om de 25e take van hetzelfde grapje, dezelfde overdramatische maar mooie beelden van auto’s, dezelfde entertainment>informatie manier van auto’s recenseren en dezelfde present… Wacht, nee, dat klopt niet. Clarkson is vervangen door Chris Evans, wat voor zover ik kan zien de Giel Beelen van Engeland is. Net als Giel Beelen denkt hij dat hij grappiger is dan eigenlijk het geval is, en had hij beter gewoon op de radio kunnen blijven. Chris probeert gigantisch hard om Clarkson te zijn, maar slaat niet eens een beetje in de buurt van de plank. Naast hem staat Matt Leblanc. Ja, die gast uit Friends. En hoe leuk Friends ook was, laten we niet vergeten dat het geen improvisatiecomedy was. Matt las leuke grappen voor, wat niet betekent dat hij humor heeft. Matt is de nieuwe Hammond in Top Gear, maar staat net als Evans volledig in het niets te slaan. Geen plank te herkennen in de wijde omgeving.

Het resultaat is een extreem pijnlijke herinnering aan het feit dat Clarkson, Hammond en May niet te vervangen zijn. Je voelt de ongemakkelijkheid terwijl Chris en Matt wanhopig proberen om Clarkson en Hammond te zijn, in plaats van gewoon hun eigen ding te doen. Misschien zijn ze wel grappig, maar ze willen (of moeten) nu te hard in de oude karakters passen om dat ooit te laten zien. De eerste aflevering bevat een zogenaamde race tussen Matt en Chris in Reliant Robins, wat ook voelt als een zielige poging om wat ouderwetse Top Gear humor in je gezicht te drukken. “Hey, weet je nog die keer met Clarkson en de Reliants? Dat was leuk. Hier, meer Reliants! Is ons nieuwe programma al leuk?”. Nee, BBC. Sorry.

De star in a reasonably priced car is één van de weinige dingen die veranderd is. Een nieuwe Mini is nu opeens reasonably priced, blijkbaar, en het circuit bevat nu een stuk off-road. Dat gaat vast en zeker voor eerlijke rondetijden zorgen als het straks gaat stortregenen. Maar gelukkig gebeurt dat nooit in Engeland. Het zorgt wel voor redelijk leuke beelden, dat moet ik toegeven. Sabine Schmitz, de bekende Nürburgringkoningin, was welgeteld een minuut of drie in beeld en voegde erg weinig toe. De enige persoon die dit nog had kunnen redden, Chris Harris, zit blijkbaar niet in het uiteindelijke programma en doet schijnbaar alleen de online nabeschouwing en/of Making Of. Goed bezig, BBC.

Nou was mijn enthousiasme al zo diep de grond in geboord dat het bij de onderburen in de woonkamer lag, maar er was nog één ding wat het erger kon maken. De geforceerde humor, de slappe items, de ongemakkelijkheid van de cast en het totale gebrek aan vernieuwing waren nog niks in vergelijking met deze catastrofe. Want wie liep daar binnen bij het ‘Star in a not really reasonably priced car’-segmentje?

13321000_1034043660009250_310019415_oJesse… Fucking… Eisenberg…

Top gear is dood.

Over Christopher Nolan en filmsnobs

Vandaag ga ik het hebben over films en filmsnobs, zonder daarbij zelf als een filmsnob te klinken. Dit is een lastige taak, maar ik denk dat ik het aankan.

Enkele minuten geleden drukte ik mijn blu-ray speler uit en stopte ik Interstellar terug in zijn hoesje. Twee jaar geleden zag ik Interstellar voor het eerst in de bioscoop. Een week later zag ik hem voor de tweede keer in de bioscoop, en nu zag ik hem voor de derde keer in mijn eigen huis. Dat ik een film drie keer kijk in twee jaar tijd is vrij uniek te noemen. Ik ben niet het type wat films eindeloos kan herkijken. Zolang ik me nog teveel herinner, is de lol er voor mij vanaf. Ik wil dat een film me raakt, en dat lukt gewoon bij lange na niet zo goed als je exact weet wat er wanneer gaat gebeuren. Maar er zijn films die me keer op keer weten te raken. Misschien niet als ik ze elke dag zou kijken, maar drie keer in twee jaar wel. En ik zal hier vandaag gewoon schaamteloos toegeven dat ik een traantje heb weggepinkt net tijdens Interstellar. Misschien zelfs wel twee. Zelfs al wist ik wat er ging gebeuren.

Er is iets unieks aan de manier waarop Christopher Nolan zijn films maakt. Ik kan niet helemaal uitleggen wat het is, en dat is vervelend. Want daarom kan ik me niet goed verdedigen tegen de vele nare mensen op deze wereld die een ander hun plezier niet gunnen. Maar daarover later meer. Eerst ga ik toch een poging doen om uit te leggen waarvan ik net claimde dat ik het niet uit kan leggen. Laat me ten eerste stellen dat ik 100% weet dat Nolan’s films niet perfect zijn. Er zitten vast plotgaten in Interstellar. Gegarandeerd. Er zijn vast al duizenden mensen geweest die ze uitgebreid op een rijtje hebben gezet op het internet. En zo nu en dan zit er een klein stukje in wat ook mij ervan overtuigt dat zijn films niet perfect zijn. Een slecht grapje, een net iets te lange scene of iets anders kleins. Geen enkele film is perfect.

Maar er is iets extreem belangrijks wat Nolan als geen ander kan, en dat is het neerzetten van een in mijn ogen simpelweg perfect filmervaring. Geen perfecte film; een perfecte ervaring. Een film die vanaf de eerste seconde tot aan het einde aanvoelt als een intense, emotionele en uiteindelijk extreem bevredigende achtbaan. Maar je moet wel een bewuste keuze maken om te gaan genieten van die ervaring. En zo komen we aan bij de filmsnobs… Mensen die vaak van tevoren al besluiten dat ze een hekel hebben aan alles wat van grote, populaire regisseurs zoals Christopher Nolan wegkomt. Mensen die beginnen aan een film als Interstellar met het doel om hem kapot te maken. Helaas niet alleen voor zichzelf, maar het liefst ook voor anderen. Ze gaan de hele film op zoek naar dingen die “echt niet kunnen hoor” of die “wetenschappelijk gezien helemaal nergens op slaan”. Dat de filmmakers hulp hebben gekregen van wetenschappers die qua intelligentie elk internetforum bij elkaar opgeteld nog zullen overstijgen, dat maakt niet uit. Want deze mensen hebben wel even op wikipedia gelezen wormgaten en de relativiteitstheorie werken, en dat is níet zoals in deze fictieve film die puur gemaakt is voor vermaak en niet om je te leren over hoe wormgaten en de relativiteitstheorie werken. Hoe durf je, Nolan!? Jij klootzak!

Waarom zou je jezelf dit aandoen? Waarom zou je in godsnaam een film zo willen kijken? Suspension of disbelief is een prachtig iets. Je kijkt een film, geen documentaire. Ik ben de eerste die zal toegeven dat ik geen wetenschapper ben. Ik weet nauwelijks hoe een worm werkt, laat staan een wormgat. Maar dat maakt helemaal niet uit. Die kennis is volledig 100% irrelevant om van Interstellar te genieten. In het universum van de film, geloof ik wat de film mij vertelt over de werking daarvan. Want dat is alles wat ertoe doet. Waarom wordt er bij Star Wars niet geklaagd over het gebrek aan realisme, maar bij Interstellar wel? Ik begrijp het niet, en ik heb medelijden met mensen die niet kunnen kiezen om te genieten van een goede filmervaring. Ze zijn vooral heel hard bezig met bewijzen hoe slim ze zijn. Weet je wat ze zijn? Pretentieus. Wat heel toevallig het woord is wat de meeste gebruiken als ze films zoals Interstellar omschrijven. Dat vind ik wel ironisch.

Maar misschien ben ik nu zelf ook wel een filmsnob, omdat ik neerkijk op filmsnobs en de manier waarop zij hun films kijken. Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat geen enkele regisseur me zo aan mijn scherm gekluisterd weet te houden als Christopher Nolan. De verhaalvertelling, de casting, de cinematografie, de muziek, de lengte, elke scene, elk gesprek. Zoals ik al zei, niet alles is perfect, maar het werkt wel allemaal samen richting die onvergetelijke ervaring. Ik kan nog steeds niet kiezen of The Dark Knight of Interstellar mijn favoriete film is. Ik geloof dat ik volgens de snobs moet zeggen dat het The Godfather of Shawshank Redemption is ofzo. En hoewel ik die allebei fantastisch vond, zijn ze me niet bijgebleven op de manier waarop Nolan’s films dat nog altijd doen. En voor mij is de ervaring van een film veel belangrijker dan hoe goed hij objectief gezien is. En daarom hoop ik dat ik in mijn leven nog vele films van Nolan mag verwelkomen op mijn netvlies.